Diagnostiek

Wanneer er een vermoeden van dementie bestaat, wordt de cliënt toegeleid naar diagnostiek. Deze rol kan vervuld worden door de huisarts of de casemanager.

De drempel om diagnostisch onderzoek te laten doen, is voor veel cliënten hoog. In het diagnosetraject staat het onderzoeken van de patiënt en het vaststellen van de diagnose centraal. Op basis van de uitkomsten wordt een vervolgbehandeling ingezet. Bij dementie is vroegdiagnostiek van belang. Zo kan voorkomen worden dat de patiënt en zijn omgeving onnodig lang in onzekerheid blijven over de aard en oorzaak van de geheugenproblemen. Verkeerde verwachtingen kunnen snel worden bijgesteld en tevens kan een eventuele behandeling vroegtijdig gestart worden.

De huisarts kan in samenwerking met de Specialist Ouderengeneeskunde zelf diagnostisch onderzoek uitvoeren. De huisarts kan een cliënt ook verwijzen naar een gespecialiseerde instelling voor diagnostiek.

Diagnostiek vanuit de huisarts in samenwerking met de Specialist Ouderengeneeskunde (SO)
Er worden veel kwetsbare ouderen gezien met enkelvoudige geheugenproblematiek. Voor deze ouderen kan het wenselijk zijn, in verband met belemmerende factoren op lichamelijk, psychisch of sociaal vlak, diagnostiek in de thuissituatie te ondergaan.

Diagnostiek vanuit ziekenhuis of GGZ-instelling
Diagnostiek op het gebied van dementie kan ook plaatsvinden in een regionaal ziekenhuis of binnen een GGZ-instelling. Bij verdenking op dementie dient in principe te worden gestreefd naar nosologische (ziektekundige) diagnostiek. Daarvoor is verwijzing naar de tweede lijn wenselijk. Vergevorderde dementie, hoge leeftijd of ernstige comorbiditeit (het tegelijkertijd aanwezig zijn van verschillende aandoeningen/stoornissen) kunnen argumenten zijn om af te zien van uitgebreide aanvullende diagnostiek gericht op een nosologische diagnose (CBO-richtlijn diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie). In dit laatste geval kan een diagnose gesteld worden in de eerste lijn, zo mogelijk in samenwerking met de 2e lijn, door een arts, een SO of geriater.

In de RPD-regio verschilt het diagnosetraject per regio. Vandaar worden de trajecten apart benoemd. Inmiddels is per 1 januari 2014 de bestuurlijke fusie tussen de beide ziekenhuizen in de RPD-regio een feit. In de loop van 2014 worden de verschillende diagnosetrajecten verder op elkaar afgestemd. Bij een vermoeden van dementie bepaalt de huisarts in overleg met de klant welk diagnosetraject wordt gevolgd. Daarnaast is het mogelijk dat een klant in behandeling is bij een specialist in een ziekenhuis (bij eerste hulp, op polikliniek of bij opname) of GGZ-instelling en van daaruit wordt doorverwezen voor verdere diagnostiek op het gebied van dementie.

Achtereenvolgens worden de diagnosetrajecten beschreven in het Lievensberg Ziekenhuis, de Geheugenpolikliniek in het Franciscus Ziekenhuis, de Polikliniek Psychogeriatrie (PoliPG) in Bergen op Zoom, de diagnostiek in de Opnamekliniek van de GGZ WNB en de diagnostiek in Wiekendael.